"De bijensite van Wouw"
OOK VOOR EEN LEKKERE POT HONING.
laatste nieuws
Recente Tweets
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Zoekmenu.
4 Hommels.
 

Hommels.

 

Veel mensen kennen niet het verschil tussen hommels, wespen en bijen. 
Hier onder wat infomatie over dit toch wel nuttig insect.


Algemene hommelinformatie

Tot de insecten van de bij-achtigen behoren ook de hommels. Het zijn algemeen voorkomende insecten, die over de gehele wereld leven in gebieden waar er één seizoen is van minstens 4 tot 5 maanden om zich 
voort te planten. 
De gemiddelde temperatuur moet voor een groot gedeelte boven de 8 º C liggen en mogen de winters 
niet te streng zijn, omdat de hommels in de grond (op 5 à 6º C )kunnen overwinteren. 
Zodra het wat warmer wordt worden de koninginnen actief en gaan een broednest te starten. 
Hommels zijn inmiddels ook ontdekt als insecten, die de mens kunnen helpen bij het kweken van gewassen. Er wordt op commerciële schaal aardhommels (Bombus terrestris ) gekweekt voor 
bestuiving doeleinden ondermeer voor tomaat , paprika en aardbeien in tunnels en kassen.
Spontaan zien we hommels ook in vogelnestkasten bloempotten nestelen, 
Er moet dan wel nest materiaal van de vorige bewoners achter zijn gebleven, we denken hierbij aan vogels en 
muizen, het kan ook een hommelnest van vorig jaar zijn maar dat gebeurt zelden.

In Nederland kennen we verschillende soorten onder andere: 

Aardhommel, Steenhommel, Weidehommel, Boomhommel en Akkerhommel zij komen veelvuldig voor en er zijn nestplaatsen genoeg. 
De hommels verbouwen het materiaal met het groeien van het broednest mee. 
Zelf slepen ze geen nestmateriaal aan, doch ze gebruiken bestaand nestmateriaal, bijvoorbeeld van muizen, vogels of mos en blad op de grond. Ook steenwolisolatie van een spouwmuur vinden ze heel geschikt. Dat vormt echter slechts het omhulsel. 
Binnenin wordt door de hommel(s) zelf was geproduceerd, waarvan urntjes worden gebouwd. Die worden zowel voor het maken van broed als voor de opslag van voedsel gebruikt. 
 

We zien een hommelnest (wat nu)

Regelmatig bellen mensen mij met de vraag: "ik heb last van hommels kunt u het opruimen"? 
De vraag  is bijna altijd ten onrechte, want overlast is eigenlijk nooit aanwezig. 
Ik ga dan ook niet op zo'n vraag in, wel probeer ik de mensen er van te overtuigen van het nut van deze dieren, ik ben ook niet bereid hommelnesten te bestrijden of te verwijderen, want bestrijding van hommels 
is ongewenst vanwege de zeer nuttige bestuivings functie van die dieren en de nauwelijks aanwezige hinder. 
Er is schijnbaar onvoldoende hommelinformatie beschikbaar, want men kent over het algemeen 
de leefwijze en het gedrag van deze insecten niet. Het internet ten spijt.
Als ik de indruk heb dat mensen er later alsnog vergif in spuiten neem ik het complete vogelnestkastje met 
hommels en al mee naar huis, mits de afstand naar de nieuwe plaats meer was dan ongeveer 6 km. 
In onze tuin krijgen ze dan een mooie nieuwe plaats.
Op deze manier heb ik al een bonte verzameling vogel cq hommelnestkastjes.
Als de afstand tussen de twee standplaatsen voldoende is vliegen ze niet terug naar de oude plek, maar oriënteren ze zich op de nieuwe standplaats. Op deze manier geniet ik dagelijks van het fenomeen hommels. 

Laat ze met rust.

Als ze met rust worden gelaten kun je ze op zeer korte afstand gewoon observeren. 
Je kunt er naast zitten of zonnebaden zonder enig gevaar. Hoe de paniekreacties voor hommels ontstaan is mij een raadsel. Als ik dan vraag naar opgelopen steken, blijken die er niet te zijn. Uit ervaring weet ik, dat ze 
echt wel steken bij ernstige verstoring, maar dan is het gewoon je eigen schuld. 
De angel van een hommel heeft geen weerhaak zoals honingbijen,en ze kunnen ook meerdere 
malen steken, maar nogmaals, als ze steken ligt het meestal aan ons zelf.  
De angel kan daarom worden teruggetrokken en opnieuw worden gebruikt. 
Bij de honingbijwerksters is dat niet het geval, want daar breekt de angel plus het gifblaasje met spiertje af en beschadigt daarmee het insect zodanig, dat deze er aan doodgaat. 
Iedereen met hommels in zijn tuin of spouwmuur zou echter blij moeten zijn met deze spontane huisvestigingen, want het is een voorrecht om de activiteiten van zo dichtbij gade te mogen slaan. 
 
Maar nogmaals: laat ze met rust. 

Ook krijg ik nogal eens vragen over hommelnesten in het gazon of andere plekken die dikwijls belopen worden of waar door kinderen wordt gespeeld. Soms zitten ze inderdaad op lastige plekken en het verhuizen van het volkje is dan een optie. 
Je kunt ze dan eventueel in een kistje doen (met kleine opening van 1,5 cm tot maximaal 2 cm doorsnede) en ze iedere dag 40 - 50 cm verplaatsen. 
De kleinere soorten doen het ook goed in stenen bloempotten, dus een plankje met de bloempot er met de brede kant op . De opening van de onderkant van de bloempot zit dan aan de bovenkant. 
Het broedklompje op een beetje mos leggen op het plankje en toedekken met fijn materiaal. 
Wél voor zorgen dat het broed horizontaal blijft liggen, net zoals het ook in het gras lag. 
Een klein beetje extra stofferen met wat pluis, haren, mos of gedroogd grasmaaisel. 
Bij het oppakken van het nestje hoofd en armen afdekken tegen eventuele steken. 
Het gezicht kan beschermd worden met een stukje gordijn of iets dergelijks. 
Als het goed wordt voorbereid is het zo gebeurd. De hommels wel minstens 1 dag laten wennen aan 
de nieuwe situatie voordat er wordt verplaatst. 
 
 
De opbouw van de kolonie.

Zodra de larven (1 week na het uit het eitje komen) volgroeid zijn, spinnen ze een cocon en daarin verpoppen ze. Dat duurt 7 tot 10 dagen en op de cocons worden weer nieuwe eivormige bekers gebouwd door de werksters. 
Na de metamorfose tot volledig uitgegroeide insect komt de hommel uit de cel, die dan weer wordt hergebruikt voor eitjes of stuifmeelopslag. 
Hommels bouwen zeer slordig. Er is weinig tot geen structuur te onderkennen in de bouw van de cellen. Honingbijen zijn daarin juist het tegendeel: die maken strak naast elkaar hangende raten, alle op dezelfde middenafstand van 35 mm. 
Hommels moeten ook het geheel warm houden, net als honingbijen. Het broed heeft ca 30º C nodig (
honingbijen ca 34º C). Zij kunnen door gebruik van de suikers uit de nectar warmte opwekken door trillingen. 
Ook de koningin die na de winter alleen begint doet dat dus. Dat is op zich al een topprestatie. 

De mannetjeshommels zijn moeilijk als zodanig te herkennen. Het achterlijf is meestal niet goed zichtbaar 
en de ontbrekende dikkere en langere korfharen op de scheen van de achterste poten zijn dan het enige zichtbare kenmerk. Bij een vliegend insect is dat allemaal niet te zien en op een bloem is het moeilijk door de snelle bewegingen. Ze zijn meestal wel wat bonter gekleurd. Het mannetje van de weidehommel heeft veel meer geel op de voorkant en ziet er donziger uit dan een vrouwtje. 
Het gedrag geeft dikwijls ook een indicatie: darren patrouilleren via vaste routes om waar te nemen of er bronstige koninginnen zijn. 

Hommels die zich aangevallen voelen laten dikwijls een verdedigingshouding zien. 
Ze gaan op één kant liggen en steken enkele poten en het achterlijf (met angel) uit. 
Soms gaan ze geheel op de rug liggen. 
Dat laatste is meestal het geval als ze tijdelijk door de lage temperatuur niet kunnen vliegen. 
De poten worden gespreid gehouden om zodra dat mogelijk is zich aan de vermeende aanvaller vast te klampen en te steken. Op het achterlijf (abdomen) is goed te zien, dat de beharing op die plek veel minder aanwezig is. Dat is merendeels bedoeld voor de snelle overdracht van opgewekte warmte aan het broed. Extra beharing zou daarvoor hinderlijk zijn. 

 
Vijanden van de hommels.
De hommelmot.
In hommelnesten komt de hommelmot  voor.
De larven van dat 
insect maken zeer sterke spinsels en lijken sociaal te leven. Ze vreten de was geheel op . 

En ook de mens is een van hun vijanden.

Levenswijze en voortplanting van hommels

Hommelkoninginnen overwinteren solitair op een vorstvrij plekje in de grond. Als de temperatuur in het voorjaar gaat oplopen tot boven 6°C zal de hommel gaan foerageren om weer wat op krachten te komen. 
Je kunt ze dan zien op de eerste bloeiers in de tuin. Als de conditie is opgevijzeld zal ze een plaats gaan zoeken om een nest te beginnen. Ze vliegt dan laag over de grond en onderzoekt alle mogelijke gaatjes. 
Meestal vindt ze dan een muizennest dat al wat bekleding biedt, maar ook een spouwmuur met vulling is voor haar een prima optie. Ze begint met het nestmateriaal wat compacter te maken tot een soort bolletje. 
Daarin maakt ze als eerste bouwactiviteit een urntje van was voor opslag van nectar. Dat is haar energiebron om warmte te kunnen opwekken. Dan maakt ze een klompje broed met uiteindelijk 10 tot 12 cellen, waarin de eerste larven worden ondergebracht. De larven worden gevoed met een brij van nectar en stuifmeel. 
Het broed wordt warm gehouden door de koningin, waarbij warmte wordt opgewekt via spiertrillingen. 
Zelf verbruikt ze daarvoor suikers. De temperatuur van het broednest is ongeveer 30°C. 
De totale broedduur (eitje-larve-pop-imago) duurt ongeveer 3 weken.  
Al alles goed is verlopen komen dus na 3 weken de eerste werksters uit. 
Bij een vroeg gestarte hommelkoningin (half maart) kun je in begin april jonge werksters zien vliegen, op pruimen-, kersen- of perenbloesem. De jonge werksters gaan direct ijverig meewerken aan uitbreiding van het broednest, de verzorging van larven en het foerageren op stuifmeel en nectar. 
De koningin komt uiteindelijk zelf bijna niet meer buiten het broednest. Ze legt bevruchte eitjes, waaruit werksters komen. Het nest breidt zo gestaag uit en de omvang kan oplopen tot 300 - 400 
werksters maximaal, als daarvoor voldoende ruimte is. De meeste hommelvolkjes zijn kleiner. 



In de loop van mei begint het hommelvolk koninginnecellen aan te maken. Dat zijn cellen die wat forser zijn dan andere en de larven krijgen veel meer voedsel dan een gewone werksterlarve. De kwaliteit van het voedsel is overigens dezelfde. 
Bij honingbijen is dat anders. De koninginnegelei heeft daar een kwalitatief hogere waarde. 
Vrij kort daarna neemt de feromoonproductie van de hommelkoningin af. Deze productie heeft er tot dan toe voor gezorgd dat de werkstereileiders niet tot ontwikkeling kwamen. Het is dus een hormoon dat remmend werkt bij de werksters. Na de verminderde afgifte van deze feromonen door de koningin ontstaat er opstand in het broednest. De eierstokken van de werksters rijpen en ze gaan zelf ook eitjes leggen. 
De koningin vindt dat maar niks en verwijdert die weer en zo gaat dat om en om. Uiteindelijk eindigt dit in het afsteken door de werksters van hun eigen koningin. Die is ook niet meer nodig, want uit de laatste bevruchte eitjes zijn jonge koninginnen geteeld. Uit de onbevruchte eitjes van de werksters worden nu darren (mannetjes) geboren. Zo geven de werksters hun eigen genen door aan het nageslacht. Die genen zijn anders dan die van een onbevrucht eitje van de koningin, hoewel dat wel hun moeder was. 
Nu doet immers de vader van de werksters (dus de dar waarmee hun koningin heeft gepaard in het vorige jaar) mee in de genensamenstelling. Bij de onbevruchte eitjes van de koningin doet die dar niet mee (maar wél haar vader). Het is wat ingewikkeld en stof om over na te denken. 
De darren zijn precies op tijd rijp om met koninginnen van de eigen soort te paren en die te bevruchten. Hommelkoninginnen paren maar eenmaal en dus niet met verschillende darren, zoals dat bij de honingbij kan oplopen tot gemiddeld zo'n 20 stuks. 
De bevruchte koningin gaat verder de zomer solitair door, voedt zich goed en zoekt in het najaar een goede overwinteringplek. 
Zo begint de cyclus van de voortplanting weer opnieuw. 


 


Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld